Altijd vertrouwensrelatie tussen patiënt en Levenseindekliniek

De Levenseindekliniek krijgt vaak het verwijt geen behandelrelatie te hebben met de patiënten die een euthanasieverzoek doen. In tegenstelling tot de huisarts, die zijn patiënten jarenlang in zijn praktijk heeft, zou de Levenseindekliniek de patiënten te kort kennen om een afgewogen oordeel te kunnen vellen over hun euthanasieverzoek. De kritiek komt vaak van ethici.

De behandelrelatie van de Levenseindekliniek met haar patiënten is misschien anders dan die van een huisarts, maar minstens zo intensief. Bij de meest ingrijpende beslissing van hun leven zoeken mensen naar de kern van hun bestaan, stellen ze zich open als nooit tevoren. Behandelrelatie is een volstrekt tekort schietend woord voor wat dan ontstaat tussen arts en patiënt. Het is een vertrouwensrelatie, met gesprekken letterlijk op het scherpst van de snede. Om te onderzoeken of euthanasie ook daadwerkelijk kan. Het verwijt dat je daarin een patiënt niet zou leren kennen zou lachwekkend zijn, als het niet zo treurig was.

Waar de critici aan voorbij gaan is dat de behandelend arts al nee heeft gezegd tegen het euthanasieverzoek waarmee de patiënt zich vervolgens tot de Levenseindekliniek richt. Wat heeft die patiënt aan een behandelrelatie als die arts hem op het moment suprème in de kou laat staan? Wat is de waarde van die behandelrelatie dan?

Emeritus-hoogleraar ethiek Govert den Hartogh betoogde onlangs in het Nederlands Juristenblad dat je eerst persoonlijkheid, levensgeschiedenis en waardenpatroon van de patiënt moet kennen om de ondraaglijkheid van het lijden te bepalen. Dat is precies waar de gesprekken tussen de teams (arts en verpleegkundige) van de Levenseindekliniek en de patiënt over gaan. Ook bij dementen en psychiatrische patiënten, voor wie Den Hartogh dit bij uitstek vindt gelden. Daar zijn we het dus over eens. Maar onze wegen scheiden als Den Hartogh meent dat dit alleen kan in een traditionele huisarts-patiëntrelatie. En niet tot euthanasie mag worden overgegaan als die relatie er niet is.

Veel van de bezwaren worden ingegeven door de overweging dat de vereiste extra behoedzaamheid bij euthanasie aan dementen en psychiatrische patiënten onverenigbaar is met het relatief korte behandeltraject bij de Levenseindekliniek. Voor psychiatrische patiënten geldt dat die behoedzaamheid hen juist bij de Levenseindekliniek heeft gebracht. Een van de psychiaters van de Levenseindekliniek verweet haar collega’s meer oog te hebben voor die behoedzaamheid dan voor het lijden van hun patiënten. Wat onverlet laat dat euthanasie pas kan na zorgvuldige screening van de patiënt en diens wens in een proces dat niet zelden tot een jaar duurt.

Samengevat: er is een intensieve relatie tussen de teams van de Levenseindekliniek en hun patiënten. Die relatie geeft in ruime mate inzicht in persoonlijkheid, levensgeschiedenis en waardenpatroon van de patiënt en in oorzaak en aanleiding van het euthanasieverzoek. Als het dan al niet gaat om een behandelrelatie, dan toch zeker om een vertrouwensrelatie. Overigens: nergens in de wet staat dat zo’n relatie vereist is. Maar we hechten er wel waarde aan.

Steven Pleiter | Directeur Levenseindekliniek