Psychiaters neem stervenswens van patiënten serieus

Elke maand krijgt de Levenseindekliniek inmiddels gemiddeld 100 euthanasieverzoeken. Een op de drie van die verzoeken wordt gedaan door psychiatrische patiënten. De nood onder hen is hoog.

De grote vraag onder deze patiënten naar hulp bij zelfdoding is omgekeerd evenredig met de beschikbaarheid van psychiaters om hun verzoek te beoordelen. De vijf psychiaters die de Levenseindekliniek inmiddels telt kunnen maar op een klein percentage van de verzoeken ingaan. Waar bij somatisch zieken de wachttijd inmiddels is weggewerkt, daar moeten psychiatrische patiënten gemiddeld een half jaar wachten voordat ze hun diepste wens ten uitvoer zien gebracht.

Dat leidt soms tot bedroevende situaties. Nog onlangs besloot een patiënte het heft in eigen hand te nemen, nadat een antwoord op haar verzoek door gebrek aan menskracht te lang op zich liet wachten. Wij hadden haar graag een mooiere dood gegund, in het bijzijn van familie en vrienden.

Euthanasieverzoeken van psychiatrische patiënten zijn per definitie moeilijker te beoordelen dan die van de gemiddelde patiënt met somatische klachten. Het kost veel tijd en moeite om vast te stellen of er inderdaad sprake is van een weloverwogen verzoek, het lijden uitzichtloos en of de behandelperspectieven zijn uitgeput.

Voorkomen moet ook worden dat euthanasie wordt gegeven aan iemand bij wie het verzoek voortkomt uit het ziektebeeld, een waanstoornis bijvoorbeeld. Dat vergt diepgaand en langdurig onderzoek.

Het is ronduit teleurstellend dat zoveel psychiatrisch patiënten zich moeten wenden tot de Levenseindekliniek, omdat hun eigen behandelend psychiater zelfs dat onderzoek niet aangaat. De afweging die de Levenseindekliniek moet maken is niet wezenlijk anders dan die van de eigen behandelaar van de patiënt.

Het zou mooi zijn als die de stervenswens van zijn patiënt in ieder geval in overweging neemt. Nu komt de hulp in dit soort gevallen nog steeds neer op de schouders van een handjevol pioniers, voor een deel werkzaam bij de Levenseindekliniek. Het verklaart waarom euthanasie aan psychiatrisch patiënten nauwelijks toeneemt, in tegenstelling tot het aantal verzoeken.

Mijn wens is dat psychiaters open staan voor een serieuze doodswens. Dat onze wachtlijsten teruglopen omdat de dood als serieuze optie wordt meegenomen in de beoordeling van wat het beste is voor de patiënt. Dat geen patiënt meer wordt afgewezen onder het mom van ‘nog niet uitbehandeld’, terwijl het eigenlijk draait om de weerstand van de psychiater tegen euthanasie. Dat het afschrikwekkende alternatief van zelfdoding via trein of flat steeds vaker buiten beeld verdwijnt omdat mensen weten dat ze geholpen worden.

Het wordt vanzelfsprekend gevonden dat euthanasie wordt gegeven aan iemand met kanker die is uitbehandeld. Die vanzelfsprekendheid zou ook moeten gelden voor de psychiatrische patiënt die al tientallen jaren lijdt. De Levenseindekliniek kan hem helpen. Zonder hulp van anderen redden we het niet. Vandaar deze oproep: psychiaters, stel u open voor de euthanasiewens van uw patiënten. Ze rekenen op u.


 

Steven Pleiter | Directeur van de Levenseindekliniek

Altijd vertrouwensrelatie tussen patiënt en Levenseindekliniek

De Levenseindekliniek krijgt vaak het verwijt geen behandelrelatie te hebben met de patiënten die een euthanasieverzoek doen. In tegenstelling tot de huisarts, die zijn patiënten jarenlang in zijn praktijk heeft, zou de Levenseindekliniek de patiënten te kort kennen om een afgewogen oordeel te kunnen vellen over hun euthanasieverzoek. De kritiek komt vaak van ethici.

De behandelrelatie van de Levenseindekliniek met haar patiënten is misschien anders dan die van een huisarts, maar minstens zo intensief. Bij de meest ingrijpende beslissing van hun leven zoeken mensen naar de kern van hun bestaan, stellen ze zich open als nooit tevoren. Behandelrelatie is een volstrekt tekort schietend woord voor wat dan ontstaat tussen arts en patiënt. Het is een vertrouwensrelatie, met gesprekken letterlijk op het scherpst van de snede. Om te onderzoeken of euthanasie ook daadwerkelijk kan. Het verwijt dat je daarin een patiënt niet zou leren kennen zou lachwekkend zijn, als het niet zo treurig was.

Waar de critici aan voorbij gaan is dat de behandelend arts al nee heeft gezegd tegen het euthanasieverzoek waarmee de patiënt zich vervolgens tot de Levenseindekliniek richt. Wat heeft die patiënt aan een behandelrelatie als die arts hem op het moment suprème in de kou laat staan? Wat is de waarde van die behandelrelatie dan?

Emeritus-hoogleraar ethiek Govert den Hartogh betoogde onlangs in het Nederlands Juristenblad dat je eerst persoonlijkheid, levensgeschiedenis en waardenpatroon van de patiënt moet kennen om de ondraaglijkheid van het lijden te bepalen. Dat is precies waar de gesprekken tussen de teams (arts en verpleegkundige) van de Levenseindekliniek en de patiënt over gaan. Ook bij dementen en psychiatrische patiënten, voor wie Den Hartogh dit bij uitstek vindt gelden. Daar zijn we het dus over eens. Maar onze wegen scheiden als Den Hartogh meent dat dit alleen kan in een traditionele huisarts-patiëntrelatie. En niet tot euthanasie mag worden overgegaan als die relatie er niet is.

Veel van de bezwaren worden ingegeven door de overweging dat de vereiste extra behoedzaamheid bij euthanasie aan dementen en psychiatrische patiënten onverenigbaar is met het relatief korte behandeltraject bij de Levenseindekliniek. Voor psychiatrische patiënten geldt dat die behoedzaamheid hen juist bij de Levenseindekliniek heeft gebracht. Een van de psychiaters van de Levenseindekliniek verweet haar collega’s meer oog te hebben voor die behoedzaamheid dan voor het lijden van hun patiënten. Wat onverlet laat dat euthanasie pas kan na zorgvuldige screening van de patiënt en diens wens in een proces dat niet zelden tot een jaar duurt.

Samengevat: er is een intensieve relatie tussen de teams van de Levenseindekliniek en hun patiënten. Die relatie geeft in ruime mate inzicht in persoonlijkheid, levensgeschiedenis en waardenpatroon van de patiënt en in oorzaak en aanleiding van het euthanasieverzoek. Als het dan al niet gaat om een behandelrelatie, dan toch zeker om een vertrouwensrelatie. Overigens: nergens in de wet staat dat zo’n relatie vereist is. Maar we hechten er wel waarde aan.

Steven Pleiter | Directeur Levenseindekliniek

Artsen, meld uw patiënt tijdig aan bij de Levenseindekliniek

Een wanhopig telefoontje van een vervangend huisarts. De collega is op vakantie en een in doodsnood verkerende patiënt vraagt om euthanasie. De vervanger heeft daar geen ervaring mee, kent de patiënt nauwelijks of heeft principiële bezwaren tegen euthanasie. Of de Levenseindekliniek in actie wil komen.

Dat wil de Levenseindekliniek wel, maar met frisse tegenzin. Want hoe kon het zover komen dat op stel en sprong euthanasie moet worden verleend aan iemand wiens dood er al langer zat aan te komen? Zoals bij die 90-jarige vrouw met darmkanker. Haar arts voelde zich zo zwaar belast door vakantie van een collega dat hij haar euthanasie er niet nog bij kon hebben. Acht dagen na haar aanmelding en na spoedconsultatie van een SCEN-arts krijgt ze euthanasie van de Levenseindekliniek.

Of die 58-jarige vrouw met uitgezaaide borstkanker die al in 2013 haar euthanasiewens uit bij haar arts. Twee jaar later moet ook zij met een spoedprocedure uit haar lijden worden verlost. Haar arts wilde wel palliatieve sedatie geven, maar geen euthanasie.

In  beide gevallen werd in minder dan tien dagen aan de hulpvraag voldaan. Na inzage in de dossiers, huisbezoeken, gesprekken met de patiënt, consultatie van een SCEN-arts en soms nog inschakeling van een geestelijk verzorger. Een fysiek en emotioneel enorm belastende operatie voor zowel onze medewerkers als de patiënt zelf.

Het zou niet zo erg zijn als het hier om een uitzondering ging. Maar het aantal euthanasieën dat met spoed moet worden uitgevoerd neemt steeds meer toe. Het houdt gelijke tred met de groei van het aantal patiënten met kanker dat zich bij ons meldt. Was in 2013 nog maar 14 procent van de mensen die euthanasie bij ons kregen kankerpatiënt, in de eerste helft van dit jaar is dat al 31 procent. Terwijl kankerpatiënten van alle euthanasieverzoekers toch op het meeste begrip kunnen rekenen van hun arts, vormen ze ook een steeds groter deel van onze patiënten.

In de meeste gevallen gebeurt de aanmelding op tijd, en in goed overleg. Er zijn echter ook artsen die de euthanasie maar voor zich uit schuiven. Of wel zeggen deze te willen geven, maar het op het laatste moment toch niet over hun hart kunnen krijgen. Of die het meer een taak vinden van de Levenseindekliniek, zonder ons of hun patiënt daarvan op de hoogte te stellen.

In die gevallen ontstaat er een noodsituatie, niet toevallig juist als de arts op vakantie is. De Levenseindekliniek mag redderen. Omdat het aantal mensen dat bij de Levenseindekliniek werkt beperkt is dreigt de euthanasie van andere patiënten in gevaar te komen. Euthanasie is immers niet zomaar iets. Het vergt veel van onze medewerkers en we weigeren hen vaker in te zetten dan ze emotioneel aan kunnen.

De oplossing is simpel. Zodra een arts weet van de euthanasiewens van zijn patiënt zou hij bij zichzelf te rade moeten gaan: kan ik dit wel of niet? Zoniet, dan moet een collega worden gezocht die het wel kan. Lukt ook dat niet, dan is er de Levenseindekliniek. Door die tijdige aanmelding kan de Levenseindekliniek in alle rust het verzoek beoordelen, een band opbouwen met de patiënt en deze een zachte dood bezorgen. En blijven noodprocedures achterwege. Zodat eigenlijk onverenigbare termen als ‘spoed’ en ‘euthanasie’ ook niet meer in één woord gebruikt hoeven worden.

S Pleiter 07_Portret S Steven Pleiter, directeur Levenseindekliniek